Ja, het was een uitstekende match. Tactisch, fysiek, kansrijk. Bijna even technisch als hard. Soms, toch. Oké, geregeld.

Antwerp tegen Gent. Vier goals gezien.

Voetbal in een stadion beleven, verenigt veel basisimpulsen. Bij momenten angstaanjagend. Maar vooral meeslepend. Elke corner wordt er een op leven en dood.

Dus zal ik die dagpas vervangen door de thuismatchen van RAFC op de Bosuil?

Of de zonen daar als prof zouden willen staan, was een overbodige vraag. Die glinsterende ogen. Nog het meest angstaanjagende besef van de hele avond.

RAFC heeft er vier heftige fans bij. Ik zag tijdens de rust hoe een Red vriendelijk tegen een Gentenaar die een trui droeg met ‘BRUUR’ erop, zei dat hij achteraan de rij moest aanschuiven. In de wachtrijen in Bobbejaanland gaat het er minder lief aan toe.

En dat ik nooit spits zou willen staan tegen Jelle Van Damme. Ik zou de ballen niet hebben, zelfs al had ik de skills.

Verder geldt voor voetbalmatchen als gezinsuitje deze pedagogische regel:

What happens in the stadium, stays in the stadium

Hoewel de jongste zoon ‘Boe’ roepen tegen een gewonde tegenstander ongehoord gemeen vond en dus vooral sympathiseerde met het slachtoffer.

‘Zo wordt hij nooit echte voetballer’, was mijn eerste reflex. Mijn voetbalbeest had daar duidelijk minder moeite mee. Niet dat ik daar trots op ben.