"Waarom kijk je zo droevig?" vroeg de jongste zoon toen ik hem onderstopte. Ik had nog zo mijn best gedaan om er opgeruimd uit te zien; een vrolijke vader als laatste beeld voor hij ging slapen, daar was ik voor gegaan.

Je maakt hem niets wijs, de jongste. Soms duizel ik bij de duizenden gedachten die hij in z'n hoofd moet hebben.