Maandagochtend, ik sta voor de deur van de uitgeverij. Mìjn uitgeverij, wanneer ik straks weer buiten zal zijn. Er wachten fijne mensen op me, en papieren waarop ik mijn handtekening moet zetten. Taart en koffie, zal blijken. En een boek dat mag verschijnen straks.

Ik heb geschreven, gewacht, opgegeven. Ik heb mezelf vervloekt en geprezen. Ik ben ontelbare keren gevallen en weer opgestaan. Telkens weer ben ik naar mijn schrijftafel teruggekeerd. Nu sta ik voor de deur en ik wacht, heel even maar.